Mesothelioom bij monteur luchtkanalen; slaagt beroep werkgever op verjaring?

Een monteur luchtkanalen werkt tussen 1970 en 1977 bij verschillende bedrijven die als gemeenschappelijke rechtsopvolger het bedrijf Engie bv hebben. De monteur werkt veelvuldig met asbest. In 2014 wordt mesothelioom bij hem vastgesteld. Hij stelt zijn voormalige werkgever aansprakelijk. Het gedaagde bedrijf beroept zich op verjaring.


Diagnose
In het najaar van 2014 werd de diagnose 'maligne mesothelioom' in de vorm van longvlieskanker gesteld. Deze diagnose is op 5 januari 2015 bevestigd door het Nederlands Mesothelioompanel. In november 2014 heeft eiser zich voor bemiddeling gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers (IAS). Per aangetekende brief van 12 december 2014 heeft de monteur Engie bv aansprakelijk gesteld. Bij brief van 2 juni 2015 stuurt het IAS Engie haar conclusie, die inhoudt dat Engie jegens eiser schadeplichtig was. 

Welke werkgevers
Er zijn in de procedure verschillende overzichten van werkgevers. Er is ook een pensioenoverzicht van het Pensioenfonds voor Metaal en Techniek. Daarin staat dat eiser in de periode 30 augustus 1970 tot en met 31 december 1972 in dienst was bij bv 1 en van 1 januari 1972 tot en met 30 september 1977 bij bv 2. Beide vennootschappen zijn overgenomen door Engie. 

Werkzaamheden
Eiser verklaart over zijn werkzaamheden:  hij moest zogenaamde c-klemmen op stalen balken monteren. Deze balken waren ingespoten met asbest. Hij verwijderde deze spuitasbest zodat hij de klemmen kon monteren. Ook plaatste hij brandkleppen in de luchtkanalen. Dit waren asbesthoudende panelen (reeds op maat gemaakt) die door hem met asbestkoord werden afgedicht. Ook kwam het voor dat bestaande luchtkanalen van asbesthoudend materiaal waren gemaakt. Wanneer hierop een aansluiting moest worden gemaakt, boorde hij in het asbesthoudende materiaal. Het is zijn inschatting dat hij gedurende het hele dienstverband ongeveer wekelijks aan asbest is blootgesteld. Tijdens deze werkzaamheden was er geen sprake van ventilatie of afzuiging in de werkvertrekken. Hij beschikte niet over persoonlijke beschermingsmiddelen in het kader van blootstelling aan asbest. Hij is door zijn werkgever nooit geïnformeerd over de gezondheidsrisico’s van het werken met asbest. Twee oud-collega's getuigen. Ook daaruit komt naar voren de regelmatige blootstelling aan asbest. 

Vordering
De eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, dat voor recht wordt verklaard dat Engie aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden materiële en immateriële schade ingevolge artikel 7:658 in samenhang met 6:107 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder vordert hij veroordeling van Engie aan hem te betalen een bedrag van € 80.000,- aan immateriële schade en veroordeling tot betaling van de materiële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, beide te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding tot de voldoening, en met veroordeling van Engie in de proceskosten.  

Zorgplicht
Eiser meent dat de rechtsvoorgangers van Engie in hun zorgplicht zijn tekortgeschoten door hem niet te waarschuwen voor en beschermen tegen de gezondheidsrisico’s. Eiser meent dat het beroep van Engie op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij verwijst in dit verband naar het  Van Hese/De Schelde-arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000, NJ 2000, 430 en de daarin omschreven gezichtspunten. 

Beroep op verjaring
Engie beroept zich op verjaring en betwist de vordering. Engie heeft aangegeven dat het “onduidelijk is” voor welke werkgevers eiser heeft gewerkt; arbeidscontracten zijn niet meer voorhanden. 
Engie meent, zo begrijpt de kantonrechter, daarom dat de aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld omdat onduidelijk is voor wie eiser heeft gewerkt en in welke periode dat dan was. De kantonrechter is van oordeel dat het door eiser ingebrachte pensioenoverzicht in deze procedure leidend moet zijn. Engie heeft niet, althans onvoldoende, betwist dat zij rechtsopvolgster is van deze rechtspersonen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het pensioenoverzicht voldoende aantoont dat in de daarin genoemde periode sprake is geweest van een arbeidsverhouding tussen eiser en de daarin genoemde vennootschappen.


Geschil
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de rechtsvoorgangsters van Engie gedurende de arbeidsovereenkomsten met eiser jegens hem hebben voldaan aan hun, destijds in artikel 1638x BW en inmiddels in artikel 7:658 BW omschreven, verplichting hem zoveel als redelijkerwijs nodig was te beschermen tegen de gezondheidsrisico’s van het werken met asbesthoudende materialen. Ook is in geschil of Engie als rechtsopvolgster van voornoemde vennootschappen, een geslaagd beroep op verjaring in de zin van artikel 3:310 lid 2 BW kan doen.


Volgorde kantonrechter
De kantonrechter zal eerst onderzoeken in welke periodes, op welke wijze en in welke mate eiser – in dienst van de bedrijven aan asbeststof is blootgesteld. Vervolgens zal het beroep op verjaring worden beoordeeld, omdat een honorering van dat beroep ertoe leidt dat niet wordt toegekomen aan een verdere beoordeling van de werkgeversaansprakelijkheid van Engie waarop eiser de vordering baseert. Bij de beoordeling van het verjaringstermijn zal overigens, zoals hierna wordt overwogen, de vraag naar de mate waarin aan het bedrijf een schending van de zorgplicht jegens eiser kan worden verweten, mede van betekenis blijken te zijn.


Schade door uitoefening van zijn werk
Hoewel de verklaringen betrekking hebben op een periode die al lang achter ons ligt, heeft de kantonrechter geen reden te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen en het beeld dat daarin geschetst wordt over het gebruik van asbest. Dat eiser asbest kan hebben ingeademd, ligt erg voor de hand. Uit het voorgaande blijkt dat de werkzaamheden die eiser bij de rechtsvoorgangster van Engie heeft verricht en de daarmee samenhangende vaststelling dat hij bij dat werk asbeststof kan hebben ingeademd die de ziekte heeft veroorzaakt waaraan hij nu lijdt, volgt dat eiser erin is geslaagd aan te tonen dat hij inderdaad in de uitoefening van zijn werk voor voor de rechtsvoorgangers van Engie schade heeft geleden. Dat – zoals Engie aanvoert – bij 15 à 20 % van de mesothelioomslachtoffers geen oorzaak van de ziekte kan worden vastgesteld (bij 80 à 85 % wordt de oorzaak gevonden in asbestblootstelling), doet daaraan niet af. Van andere (persoonlijke) omstandigheden op grond waarvan mesothelioom bij eiser kan zijn ontstaan, is namelijk niet gebleken.

Dertigjarige verjaringstermijn
De kantonrechter komt nu toe aan de beoordeling van het beroep dat Engie heeft gedaan op de dertigjarige verjaringstermijn van art 3:310 lid 2 BW. Bij die beoordeling heeft het jaar 1976 te gelden als de periode waarin de laatste blootstelling aan asbeststof heeft plaatsgevonden. De verjaringstermijn was dus al verstreken toen Engie op 12 december 2014 en daarna op 1 juli 2016 door eiser aansprakelijk werd gesteld. De verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter. Het beginsel van rechtszekerheid dat deze termijn beoogt te dienen, en ook de billijkheid jegens de wederpartij (hier: Engie) brengen mee dat aan deze termijn strikt de hand moet worden gehouden; hoezeer dat ook moeilijk te aanvaarden is uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden (hier: eiser). Dit wil niet zeggen dat de verjaringstermijn nooit op grond van artikel 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die de verjaringsregeling beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Een zodanig uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken (in dit geval de blootstelling aan asbest) inderdaad tot schade (hier de ziekte mesothelioom) zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven, dat zij daadwerkelijk is ontstaan en de vordering niet meer voor het verstrijken van de verjaringstermijn kon worden ingesteld. De kantonrechter verwijst naar het Van Hese/De Schelde-arrest.


Gezichtspunten in beoordeling
Of in gevallen als deze toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar na de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. De volgende gezichtspunten, door de Hoge Raad in het eerder genoemde arrest nader uiteengezet, zijn in die beoordeling te betrekken:

a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmee – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
b. in hoeverre voor respectievelijk het slachtoffer of zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat;
c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
d. in hoeverre de aangesprokene reeds voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor schade aansprakelijk zou zijn;
e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
f. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt; en
g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkheidstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.


Niet onbeschermd, langdurig en intensief 
De kantonrechter beschouwt de onderscheiden punten. Daarbij wordt onder meer opgemerkt: In de periode dat eiser bij de rechtsvoorgangers van Engie met asbesthoudende materialen werkte, rustte op hen als werkgevers slechts de verplichting ervoor te zorgen dat hij niet – onbeschermd – langdurig en intensief aan asbeststof werd blootgesteld. Van een dergelijke asbestblootstelling is naar het oordeel van de kantonrechter tussen 1969-1972 en 1972-1977 niet gebleken. 


Conclusie
De conclusie is dat, op grond van alles wat ten aanzien van bovenstaande punten a t/m g is overwogen, geen sprake is van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat het beroep van Engie op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroep op verjaring slaagt daarom. Dat betekent dat de vorderingen van eiser zullen worden afgewezen. Voor de duidelijkheid voegt de kantonrechter hieraan toe dat dit oordeel niet betekent dat hij vindt dat de rechtsvoorgangers van Engie het ‘goed hebben gedaan’, maar dat Engie zich met succes op verjaring kan beroepen. Eiser wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten van Engie. Deze kosten worden tot aan dit vonnis begroot op € 1.200,- (2 x € 600,-) aan salaris gemachtigde.


(Bovenstaande betreft een samenvatting van de gepubliceerde uitspraak van de kantonrechter. Voor de volledige tekst zie de gepubliceerde uitspraak.)

Jan Schrijver; datum uitspraak 11-10-2017, datum publicatie 25-10-2017, zaaknummer 5554210, ECLI:NL:RBMNE:2017:4994; Stichting PIV; bron afbeelding dr Frank Gaillard (CEO of Radiopaedia) van http://radiopaedia.org, Wikipedia,
Geplaatst op 14-11-2017