Letselschade tijdens zeiltocht; Hoge Raad kampt met achterhaalde binnenvaartlimiet

Tijdens een boottochtje op 21 juli 2007 op het Grevelingenmeer met een geëxploiteerde zeilklipper loopt iemand ernstig blijvend letsel op doordat de giek breekt. Verzekeraar Allianz Benelux heeft 137.000 euro betaald. Dit is de aansprakelijkheidslimiet (van art. 8:983 BW) die van toepassing is op personenvervoer over binnenwateren. Deze limiet staat internationaal ter discussie. Uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat de limiet overeind blijft, maar wel met inflatiecorrectie.


In deze zaak heeft eerst de rechtbank van Rotterdam een vonnis gewezen op 6 maart 2013 (C/10/386667/HA ZA 11-1880). Daarna volgen arresten van het gerechtshof Den Haag (zaak  200.126.923/01) van 18 juni 2013 en 30 augustus 2016. Tegen laatstgenoemde arrest heeft eiser principaal beroep aangetekend en verzekeraar incidenteel beroep.

Allianz, de aansprakelijkheidsverzekereraar van het echtpaar dat de zeilklipper exploiteert,  heeft de aansprakelijkheid erkend. Allianz heeft aan de in Duitsland wonende eiser en een aantal regresnemers in totaal een bedrag van € 137.000,– betaald (waarvan € 70.813,91 aan eiser). Het bedrag van € 137.000,– is de aansprakelijkheidslimiet die geldt op grond van art. 8:983 lid 1 BW in verbinding met de daarin bedoelde algemene maatregel van bestuur (Besluit van 11 maart 1991, Stb 1991, 108). De schade van eiser komt ver boven deze limiet uit. Eiser vordert in deze procedure van Allianz vergoeding van zijn volledige schade ten gevolge van het ongeval, door hem vooralsnog begroot op € 621.381,95. Naar hij aanvoert, komt het beroep van Allianz op de aansprakelijkheidslimiet van art. 8:983 lid 1 BW in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM (hierna: EP) en is dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:248 lid 2 BW). De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

Bij tussenarrest van 18 juni 2013 heeft het hof een comparitie van partijen gelast, die op 9 januari 2014 en 14 maart 2014 is gehouden. Na de zitting in hoger beroep van 9 januari 2014 heeft Allianz op 17 januari 2014 aanvullend een bedrag van € 66.186,09 aan eiser voldaan, zodat eiser uiteindelijk een bedrag van € 137.000,- van Allianz heeft ontvangen. Het hof heeft bij arrest van 30 augustus 2016 het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, Allianz veroordeeld aan eiser te vergoeden een bedrag van (€ 198.787,- min € 137.000,- =)  € 61.787,-, te vermeerderen met een bedrag van € 19.375,34 aan tot 1 juni 2014 verschuldigde wettelijke rente, en de som van deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2014.

De limiet van 137.000 euro staat voor het guldensbedrag 300.000. Daarmee liep het gelijk op met de limiet die ooit voor de WAM gold. Inmiddels is in verband met de vijfde Wam-richtlijn de limiet verhoogd naar 5 miljoen euro. Ook voor andere vervoersmodaliteiten zoals luchtvervoer en spoorvervoer zijn limieten verhoogd, zo haalt de Hoge Raad aan. Er is geen wetswijziging voor nodig om de bestaande limiet voor binnenvaart te verhogen, maar dit kan via een AMVB worden bewerkstelligd. De regering heeft de wenselijkheid van verhoging onderkend. 

De Hoge Raad betoogt: De door de wetgever in formele zin in onder meer art. 8:983 lid 1 BW gemaakte keuze om de hoogte van de limiet bij algemene maatregel van bestuur te laten bepalen, berust naar valt aan te nemen op de overweging dat die limiet daarmee eenvoudiger is aan te passen aan de verandering van relevante omstandigheden, zoals de geldontwaarding en veranderingen in de risico’s van het vervoer en de verzekerbaarheid daarvan, en aan wijzigingen in de internationale regels en opvattingen ter zake van het vervoer. Art. 8:983 lid 1 BW veronderstelt derhalve dat de regering aan de hand van die omstandigheden periodiek beziet of aanleiding bestaat voor aanpassing van de hoogte van de limiet.

De regering heeft bij het Besluit van 24 november 2008 welbewust afgezien van aanpassing van de limiet van art. 1 lid 1 van het Besluit van 11 maart 1991. (...) Van verhoging van het bedrag van (onder meer) de onderhavige limiet is evenwel afgezien om de internationale ontwikkelingen met betrekking tot de regeling van het personenvervoer over zee en over binnenwateren af te wachten. De rechter dient terughoudendheid te betrachten bij de toetsing van de argumenten van de regering om de limiet niet aan te passen. Bovendien kan niet worden gezegd dat het argument van de regering om de genoemde internationale ontwikkelingen af te wachten, op zichzelf niet valide is. Dit kan echter niet rechtvaardigen dat de limiet in afwachting van de bedoelde internationale ontwikkelingen, in het geheel niet is verhoogd gedurende een zo lange periode. 

De bereikte slotsom doet voor de Hoge Raad de vraag rijzen of de rechter zelf kan voorzien in verhoging van de limiet. In dat verband is met name van belang of dit de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Voor zover het betreft de aanpassing van het bedrag van de limiet aan de opgetreden geldontwaarding, is dat laatste niet het geval. Die verhoging laat zich immers naar objectieve maatstaven bepalen, terwijl die aanpassing bovendien in overeenstemming is te achten met de door de wetgever in 1991 gemaakte keuze, nu de limiet door die aanpassing in feite op haar reële economische waarde wordt gehouden. Voor schade geleden vanaf in elk geval het jaar 2007 valt daarom tot uitgangspunt te nemen dat daarvoor weliswaar de limiet van art. 1 lid 1 van het Besluit van 11 maart 1991 geldt, maar dat deze limiet vanaf 1991 jaarlijks per 1 januari dient te worden verhoogd met het naar objectieve maatstaven te berekenen bedrag van de geldontwaarding.

Alle onderdelen van de klacht van de eiser falen. Deze vindt onder meer dat voor de berekening van de geldontwaarding moet worden uitgegaan van 1987, het jaar waarin het bedrag van de limiet werd vastgesteld (i.p.v. het jaar van het besluit c.q. 1991). Ook wees eiser op de verschillen in aansprakelijkheidslimieten voor reizigers in verschillende soorten vervoersmiddelen. Ook het onderdeel van de klacht dat het hof onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de aansprakelijkheidsdekking die de zeilklipperexploitant heeft bij Allianz hoger is dan het bedrag van de limiet ad 137.000 euro faalt. "Het enkele feit dat de verzekering dekking geeft tot een hoger bedrag, is onvoldoende om een beroep op de limiet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te doen zijn", aldus de Hoge Raad.

Dit is een samenvatting van de uitspraak van de Hoge Raad, voor dit complete arrest van 18 mei 2018, zie zaaknummer 16/06017, ECLI:NL:HR:2018:729, en PIV-Nieuwsbrief.

 
Jan Schrijver
Geplaatst op 28-05-2018


Share on: