ABN AMRO: Problemen stapelen zich op voor bedrijfsleven

Op het eerste oog staat de economie er nog goed voor, maar de relatieve rust lijkt stilte voor de storm. De industrie, de sector leisure, de winkelbranche, de voedingssector en de bouw krijgen later dit jaar een aantal economische schokken te verwerken. Dit blijkt uit een diepgaande analyse van Albert Jan Swart en collega economen bij ABN AMRO.

Prijzen voor grondstoffen en energie zijn zeer hoog, de rente stijgt snel, het consumentenvertrouwen is sterk verslechterd en er staan nog coronaschulden op de balans. Bovendien kan de economie flink geraakt worden door een tekort aan gas.

Dit blijkt uit een diepgaande analyse van economen van ABN AMRO. De vijf sectoren die het hardst geraakt worden vertegenwoordigen samen circa 25 procent van de Nederlandse economie. De kans is groot dat door deze samenloop van economische schokken de faillissementen in deze sectoren toenemen. De economische onzekerheid is op dit moment erg groot, dat maakt het afgeven van precieze faillissementsramingen moeilijk. Toch identificeren we in deze publicatie voor een aantal schokken hoe die de verschillende sectoren raken.

Onderstaand diagram op de volgende pagina toont de geschatte impact van economische schokken op verschillende sectoren, op een vijfpuntsschaal. De sector industrie is behoorlijk kwetsbaar voor vier van de vijf economische schokken, waardoor het risico op faillissementen in deze sector duidelijk toeneemt. Ook de sectoren leisure, retail, food en bouw zijn relatief kwetsbaar.
 

Stilte voor de storm
Ook aan het begin van de pandemie was de onzekerheid ten aanzien van faillissementen groot. Een waterval van faillissementen werd niet uitgesloten. Een dergelijk scenario bleef tot nu toe achterwege. Adequaat overheidsingrijpen in de vorm van de onder andere de NOW en de mogelijkheid tot belastinguitstel bleek succesvol. Zo succesvol zelfs, dat in plaats van te stijgen, faillissementen afnamen tot niveaus die nog niet eerder zijn waargenomen. Deze situatie duurt vooralsnog voort; ook in het eerste kwartaal van dit jaar staat het aantal faillissementen nog ongeveer 50 procent onder het gemiddelde van 2019.


Coronasteun ten einde

Sinds april van dit jaar zijn de coronasteunmaatregelen afgebouwd en vanaf 1 oktober moeten ook de uitgestelde belastingen terugbetaald worden. Op dit moment staat er nog een belastingschuld van 21 miljard euro uit bij ondernemingen. Zij krijgen na een recente motie in de Tweede Kamer zeven jaar de tijd om deze schuld te voldoen, waar de overheid eerder met vijf jaar rekende. Overigens maken niet alle ondernemers gebruik van deze regeling; sinds de start van de regeling is al ongeveer 20 miljard euro terugbetaald.

Het wegvallen van steun en het terugbetalen van uitgestelde belastingen kan een deel van de ondernemingen rauw op het dak vallen. De Nederlandsche Bank (DNB) constateerde al dat circa de helft van de bedrijven die uitstel van belasting hebben gedurende de komende vijf jaar de helft van hun winst moeten gebruiken voor terugbetalingen. Hiermee valt deze groep bedrijven in een hoog risico wat beperkte terugbetalingscapaciteit betreft. Uit de DNB-studie blijkt ook dat in deze groep een aanzienlijk deel van de belastinguitstel zit bij ondernemingen die weliswaar in sectoren actief zijn die minder direct getroffen zijn door de coronacrisis, maar juist wel een hoog risico hebben. Deze bedrijven hebben gebruikgemaakt van het generieke karakter van belastinguitstel. Terugbetaling wordt voor hen een probleem omdat het hier gaat om ondernemingen die voor de pandemie al wisselvallige prestaties boekten. Juist voor deze groep kan de start van de terugbetalingsperiode problemen veroorzaken.


Met het stopzetten van de steun en het aanstaande begin van het terugbetalen lijkt de bodem van het aantal faillissementen bereikt te zijn. Het ligt voor de hand dat het aantal faillissementen de komende maanden gaat stijgen als bedrijven zich moeten aanpassen aan de situatie zonder steun en minder presterende bedrijven die tot nu toe overeind gehouden zijn door steun alsnog in de problemen komen. Maar de afbouw van steun en de start van de terugbetalingsperiode staan niet op zichtzelf. Verschillende andere schokken dreigen het bedrijfsleven te raken en kunnen het risico op faillissement vergroten.


Afbouw steun slechts lichte bries
De economische onzekerheid is op dit moment groot. Verschillende factoren veroorzaken deze onzekerheid; hoge inflatie, hogere rentes en een mogelijke afsluiting van Europa van Russisch gas. De gevolgen hiervan op het bedrijfsleven verschillen per sector. Zo zal bijvoorbeeld een energietekort vooral de industrie raken en treffen hogere rentes veelal eerder de sectoren die in grote mate afhankelijk zijn van externe financiering, zoals de vastgoedsector. Eerst bespreken we deze schokken die naast het stopzetten van de coronasteun op het bedrijfsleven afkomen; de mogelijke afsluiting van Russisch gas, hogere kosten voor grondstoffen, personeel en transport, hogere rentes en het afvlakken van de consumptieve bestedingen. Daarna bekijken we welke van de sectoren kwetsbaar zijn voor welke schokken en bespreken we per sector wat dit betekent voor de faillissementen.
 

Hogere kosten voor grondstoffen, personeel en transport
De inflatie zoals die zich aan consumenten openbaart, vindt zijn oorsprong in eerdere stadia van de productieketen. Aan de inkoopkant hebben ondernemingen de afgelopen periode last van gestegen prijzen van grondstoffen, halffabricaten en transport. Deze prijsstijgingen begonnen in 2021 als gevolg van algehele schaarste gedurende het snelle herstel van de wereldeconomie na de pandemie. De oorlog in Oekraïne heeft vervolgens olie op het vuur gegooid en leidt tot nieuwe problemen in aanvoerlijnen, terwijl tevens nieuwe lockdowns in China voor problemen zorgen, zij het in mindere mate.


In de laatste weken lijken verdere prijsstijgingen op grondstoffenmarkten, met uitzondering van de energiemarkten, voorbij. Nu de angst voor een recessie toeneemt heeft een verwachte afname van de vraag weerslag op grondstofprijzen. De lichte prijsdalingen die we observeren, betekenen echter niet dat deze schok bedrijven onberoerd laat. Grondstofprijzen bevinden zich namelijk ook na de recente daling nog ver boven historische gemiddelden.


Voor ondernemingen zijn kostenstijgingen vooral problematisch als deze niet doorberekend kunnen worden aan klanten. In dat geval teert het bedrijf in op de winstmarges. Sectoren verschillen in de mate waarin prijsstijgingen doorberekend kunnen worden, waardoor de effecten van hogere inkoopprijzen uiteenlopen. Zo hebben veel industriële ondernemingen vooralsnog de gestegen kosten kunnen doorprijzen. In de bouw daarentegen staan marges onder druk, vermoedelijk doordat bouwbedrijven vaak aan projecten werken tegen een vooraf afgesproken prijs.


Stijgende rente
De huidige hoge inflatie vormt een probleem voor de Europese Centrale Bank (ECB). De ECB heeft besloten de kortlopende rente te verhogen en het opkoopprogramma te beëindigen. Wij verwachten dat de beleidsrente van de ECB begin 2023 op 1 procent uit komt, terwijl die nu op -0,5 procent staat. Beide acties van de centrale bank zorgen ervoor dat de rentes op de kapitaalmarkt oplopen. Zoals uit onderstaande grafiek blijkt, worden zakelijke kredieten inmiddels afgesloten tegen hogere rentes. En consumenten zien deze ontwikkeling terug in de stijging van de hypotheekrente. Naast het veroorzaken van een zwaardere financieringslast hebben hogere rentes ook een negatief effect op waarderingen van financiële waarden: van huizen en kantoorpanden tot aan bedrijfsobligaties en aandelen.


Lagere consumptieve bestedingen
De huidige hoge inflatie raakt de consument in de portemonnee. Om hetzelfde consumptiepatroon te handhaven moet de consument immers meer betalen. Bij de huidige inflatieniveaus van ongeveer 8 procent in 2022 en naar verwachting ruim 3 procent in 2023 gaat dit leiden tot koopkrachtverlies en een terugval van de consumptie. Het huidige lage niveau van het consumentenvertrouwen laat het sombere sentiment onder consumenten goed zien. Het ligt voor de hand dat de consument eerst snijdt in bijvoorbeeld uitgaven aan restaurants en niet-essentiële diensten. Consumenten zullen daar eerder op bezuinigen dan op uitgaven aan de supermarkt en vervoer. De mate waarin de vraag terugvalt, hangt dus vooral af van het type activiteit dat bedrijven hebben.


Afsluiting van Russisch gas
Terwijl de oorlog in Oekraïne voortduurt, draait de Russische president Poetin de gaskraan naar Europa steeds verder dicht. Naast Nederland zijn op dit moment vijf andere lidstaten van de Europese Unie (EU) afgesloten van Russisch gas. Grootverbruikers Duitsland en Italië zijn formeel nog niet volledig afgesloten, maar kampen wel met minder aanbod. Duitsland kreeg tot 11 juli nog ongeveer 40 procent van de gebruikelijke hoeveelheid gas uit de Nordstream1-pijpleiding en Italië kreeg vanuit Russische aanvoerlijnen nog ongeveer de helft. Sinds 11 juli is de pijpleiding dicht voor jaarlijks onderhoud en stroomt er geen gas meer naar Europa. Het onderhoud zou tien dagen moeten duren, maar of de pijpleiding op 21 juli weer open gaat is gezien de politieke situatie onzeker. Zo houden de Duitse minister voor Klimaat en Economie Robert Habeck en de Franse minister van Financiën Bruno Le Maire er ernstig rekening mee dat de gaskraan dicht blijft.


De angst voor tekorten in de winter hebben de laatste weken geleid tot een verdere stijging van de gasprijs. De verminderde aanvoer van gas leidt ertoe dat de kans kleiner wordt dat Europa in de komende maanden grote gasvoorraden kan opbouwen. Op Europees niveau waren de gasvoorraden eind juni slechts voor 55 procent gevuld. Daarnaast zal Europa door de verminderde aanvoer komende winter sneller op de voorraden interen. ABN AMRO acht het meest waarschijnlijke scenario dat de Russische levering van gas dit najaar zal dalen tot een derde van de invoer in 2021, waardoor een fors tekort aan gas kan ontstaan. De overslagcapaciteit van LNG-terminals is bij lange na niet toereikend om dit te compenseren. Extra gaswinning in Europa is op korte termijn technisch beperkt mogelijk. Het kabinet houdt de mogelijkheid van extra gaswinning in Groningen achter de hand, maar alleen in een noodsituatie.


Europa zal het gasverbruik moeten beperken. Dat kan bijvoorbeeld door op korte termijn zoveel mogelijk kolen- en kerncentrales in plaats van gascentrales te gebruiken voor de opwekking van elektriciteit. Versnelde investeringen in zonnepanelen, windenergie, isolatie en warmtepompen helpen eveneens om het gasverbruik te reduceren, waarbij de snelheid wel wordt beperkt door de trage toelevering van de vereiste onderdelen en materialen, de beperkte beschikbaarheid van installateurs en de schaarse netcapaciteit. Ook kan de overheid consumenten en bedrijven vragen hun energieverbruik te beperken, voor zover zij dat niet al uit eigen beweging doen vanwege de fors gestegen gasprijzen.


Rantsoen
De kans is helaas groot dat deze ingrepen niet volstaan om het gasverbruik voldoende te reduceren. Er rest dan weinig anders dan grootverbruikers op rantsoen te zetten. De EU-lidstaten hebben daarvoor plannen klaarliggen. Zo beschikt de Nederlandse overheid over het Bescherm- en Herstelplan Gas, waarvan minister Rob Jetten voor Klimaat en Energie op 20 juni de eerste fase in werking stelde. In de laatste fase voorziet dit plan in rantsoenering of afschakeling van grote bedrijven. Huishoudens en het midden- en kleinbedrijf worden zo veel mogelijk ontzien.


De Duitse overheid is al een stap verder dan de Nederlandse. De eerste fase van het Duitse noodplan is al in maart afgekondigd. Op 23 juni kondigde minister Robert Habeck voor Klimaat en Economie de tweede fase in het Duitse noodplan af, de zogenoemde alarmfase . Dit is de laatste fase voor de derde fase in het Duitse plan, die in werking treedt bij een noodsituatie waarin de overheid grootverbruikers moet rantsoeneren of afschakelen. De alarmfase maakt het voor energieleveranciers mogelijk prijsstijgingen op de energiemarkten direct door te prijzen aan hun afnemers, met als doel dat er een sterkere financiële prikkel ontstaat om het gasverbruik te beperken. De schrik zit er goed in bij de Duitsers, die beschikken over een relatief grote en energie-intensieve industrie en daardoor zwaar afhankelijk zijn van Russisch gas.


‘Lehman-moment’
De Duitse minister Habeck waarschuwde begin juli voor een ‘Lehman-moment’, verwijzend naar het omvallen van zakenbank Lehman Brothers, dat de kredietcrisis inluidde. Er zijn inderdaad overeenkomsten, al leidt de energiecrisis niet per se tot een mondiale recessie. Het risico bestaat dat energieleveranciers die met hun klanten voor de oorlog in Oekraïne langlopende energiecontracten tegen lage tarieven hebben afgesloten het risico op prijsstijgingen niet hebben afgedekt op de financiële markten. Er zijn ook Europese energiebedrijven die afnamecontracten met de Russische gasleverancier Gazprom hebben. Indien het vooraf tegen lagere prijzen ingekochte gas niet wordt geleverd, moeten deze energieleveranciers tegen recordprijzen gas inkopen op de spotmarkt om hun klanten te kunnen blijven beleveren. Bij de huidige prijzen kan dat leiden tot tekorten van vele miljarden.


Er bestaat dus een risico op faillissementen van energieleveranciers. Die zouden kunnen leiden tot onderbreking van de energievoorziening, met alle economische en maatschappelijke gevolgen van dien. Energieleveranciers leveren meestal energie aan het netwerk, dat de energie verder distribueert naar afnemers, waarna de geleverde hoeveelheden worden verrekend. Het wegvallen van een of meerdere grote spelers kan een domino-effect teweegbrengen dat een gevaar vormt voor de continuïteit van de gehele energievoorziening. Om de energievoorziening op peil te houden is dus miljardensteun nodig, zodat energieleveranciers in zwaar weer kunnen doorgaan met inkopen op de spotmarkt. De Duitse regering loodste daarom begin juli een wetswijziging door de Bondsdag die het mogelijk maakt vele miljarden uit te trekken om energiebedrijven te stutten. Net als tijdens de kredietcrisis is het dus goed mogelijk dat belangrijke ondernemingen miljardenleningen nodig hebben van overheden of zelfs worden genationaliseerd.


Industrie getroffen
Rantsoenering zal vooral grote industriële ondernemingen treffen, bijvoorbeeld in de chemische industrie (25 procent van het totale Nederlandse energieverbruik), de basismetaalindustrie, de bouwmaterialenindustrie en raffinaderijen (meer over branches die veel energie verbruiken in onze publicatie uit maart). De meeste van deze branches zijn ook grote verbruikers van gas. Ook elektriciteitsprijzen zijn overigens sterk gestegen. Onder de grootverbruikers van energie zijn ook veel bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie en in de glastuinbouw, maar deze branches worden naar verwachting grotendeels ontzien om de voedselvoorziening op peil te houden. Bij rantsoenering van industriële branches kunnen wel keteneffecten optreden die ook de voedingsmiddelenindustrie zouden kunnen raken (zie de paragraaf ‘Industrie’ in de bijgevoegde pdf).

 

Geplaatst op 15-07-2022


Share on: